Welkom

Welkom op de blog van het Land van de Regenboog. Op deze blog vind je wekelijks de tekst van de kinderliturgie tijdens de eucharistieviering van Sant Egidio, elke zondag om 17u in de Sint Carolus Borromeuskerk te Antwerpen.

Het Land van de Regenboog is een internationale beweging van en voor kinderen die zich willen inzetten om samen een betere en meer menselijke wereld uit te bouwen. Kinderen van 5 tot 12 jaar zijn welkom.


Meer info op de website van de gemeenschap van Sant Egidio.

4 november


Dt 6, 2-6;
Mc 12, 28b-34

Gedachtenis van de heilige Carolus Borromeüs (+1584), bisschop van Milaan.

Het evangelie van deze zondag neemt ons mee naar de tempel in Jeruzalem, waar Jezus discussieert met de priesters en de farizeeën. Nu mengt zich een schriftgeleerde in het debat, maar met een betere bedoeling dan de voorgaande gesprekpartners. Hij stelt aan Jezus een echte en belangrijke vraag. “Wat is het allereerste gebod?” Want daarvan hangt inderdaad heel het leven af.

Jezus’ antwoord laat niet op zich wachten. Hij haalt een passage aan uit Deuteronomium die iedereen kende als de geloofsbelijdenis die vrome joden elke morgen en avond opzeggen: “Luister, Israël: de Heer onze God is de enige Heer. Gij zult de Heer uw God beminnen met heel uw hart, heel uw verstand en al uw krachten”.
En Jezus voegt eraan toe: “Het tweede is dit: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee”. De schriftgeleerde stemt met Jezus in: “Juist, Meester, terecht zegt U: Hij is de enige en er is geen ander dan Hij. Hem liefhebben met heel ons hart en heel ons inzicht en heel onze kracht en onze naaste liefhebben als onszelf is veel meer dan alle brand- en slachtoffers”.

Deze schiftgeleerde is wijs en eerlijk. Jezus geeft hem een compliment dat ieder van ons zou plezieren: “U staat niet ver van het koninkrijk van God”.
Jezus en de schriftgeleerde zijn het helemaal met elkaar eens, de kracht ligt in het dubbelgebod van de liefde van God en van de naaste. Deze twee geboden zijn zozeer één dat ze voor Jezus hetzelfde zijn. Jezus is diegene die meer en beter bemint dan wie ook. Jezus bemint de Vader boven al. Doorheen heel het evangelie blijkt die bijzondere band tussen Jezus en de Vader. Dat is de reden waarom Hij leeft.

De apostelen worden ingewijd in dat bijzondere vertrouwen dat Hij in zijn Vader stelt, zozeer dat Hij Hem aanroept met het tedere ‘papa’ (Abbà). Hoe dikwijls hebben ze Hem horen zeggen dat het enige doel van zijn leven is de wil van God te doen: “Mijn voedsel is de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft” . Jezus is het hoogste voorbeeld van hoe God te beminnen boven al.

En Jezus heeft met dezelfde kracht ook de mensen liefgehad. Daarom is Hij “vlees geworden”. In de Schrift lezen we dat Jezus de mensen zozeer heeft bemind dat Hij de hemel verlaten heeft – de volheid van het leven, van het geluk, van de vrede – om midden onder ons te zijn. En zijn bestaan is als het ware een groeiende liefde en hartstocht voor de mensen tot de gave van zijn leven zelf.

Maar wat wil zeggen: liefhebben “als zichzelf”? Je moet naar Jezus kijken om dit te verstaan. Hij weet ons te zeggen wat de ware liefde voor onszelf betekent. Jezus toont dat het geluk erin bestaat meer van de anderen te houden dan van onszelf. Dat is geen gemakkelijk woord. Wie is daartoe in staat? Het antwoord is dat niets onmogelijk is voor God.

Vandaag is de feestdag van de heilige Carolus Borromeus, naar wie deze kerk vernoemd is.  Carolus Borromeus leefde in de 16e eeuw en was bisschop van Milaan.  Hij kwam uit een heel rijke familie, maar koos ervoor om priester te worden en zijn rijkdom te delen met alle armen van de stad.  Zeker ook toen er pest uitbrak, gaf hij het bevel aan alle priesters en leiders van de kerk om niet weg te vluchten maar om bij de mensen te blijven om hen te ondersteunen.  Hij werd heilig verklaard en is de patroonheilige van de seminaristen, degene die studeren om priester te worden. 

Carolus Borromeus beleefde die liefde voor de andere die groter was dan de liefde voor zichzelf, een soort liefde die je niet op je eentje of op de banken van de school leert. Integendeel, daar leer je van kleins af aan om vooral jezelf en je eigen zaken lief te hebben, soms tegen de anderen in. Deze liefde waarover Jezus spreekt, krijg je van bovenaf, is een geschenk van God; meer zelfs, het is God zelf, die in het hart van de mensen komt leven.

De heilige liturgie van de zondag is hét bevoorrechte moment om het grote geschenk van de liefde te ontvangen. Laten we daarom op de dag des Heren met blije dankbaarheid naar het altaar komen. Dan zullen we, net als de wijze schriftgeleerde, tegen ons horen zeggen: “U staat niet ver van het koninkrijk van God.”


27 oktober


Jr 31, 7-9
Mc 10, 46-52

Het gebed dat met geloof wordt gebeden opent altijd het hart voor een andere manier van leven. Dat leer je echter alleen maar als je arm bent of beseft dat je arm bent. Dat heeft Bartimeüs begrepen, die zat te bedelen aan de poort van Jericho.

Zoals alle blinden was hij zwak. In die tijd konden blinden niets anders doen dan bedelen. Zo waren ze niet alleen blind, maar ook totaal afhankelijk van andere mensen.
In de evangelies zijn de blinden dan ook het voorbeeld van armoede en zwakheid. Zoals Lazarus en zovele andere armen dicht of ver van ons lag ook Bartimeüs aan de deur van het leven in afwachting van wat steun en hulp. 

Maar juist deze blinde wordt een voorbeeld voor ieder van ons, een voorbeeld van een gelovige die smeekt en bidt.

Rondom hem is alles duister: hij ziet niet wie voorbijkomt, herkent niet wie naast hem staat, hij kan geen gezichten zien, dus weet ook niet of de mensen naar hem komen om te helpen of om hem pijn te doen.

Maar die dag overkomt hem iets anders. Hij hoort lawaai van een menigte die dichterbij komt en in het donker van zijn leven en zijn waarnemingen voelt hij een aanwezigheid aan. Hij “hoorde dat het Jezus was”, meldt het evangelie. Als hij dat verneemt, begint hij te schreeuwen: “Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij”.
Het is een heel eenvoudige smeekbede. Schreeuwen is de enige manier die hij heeft in zijn duisternis om de afstand die hij niet kan inschatten te overbruggen. Maar de menigte wil niet weten van zijn geschreeuw en wil hem doen zwijgen.
Het was een ongepaste schreeuw, een schreeuw die de gelukkige ontmoeting van de menigte uit de stad met Jezus dreigde te verstoren. De mensen willen de ontmoeting met Jezus niet verstoren door deze schreeuw, door deze blinde die het leuke tafereel verstoort.  En daardoor hebben ze geen medelijden meer. 

Niet alleen schreeuwen zij nog harder tegen hem, maar ze willen hem ook doen zwijgen. De blinde heeft niets te maken met het leven van die stad. Hij mag wel bedelen, maar op voorwaarde dat hij het gebruikelijke ritme van de stad niet stoort.
Maar de aanwezigheid van Jezus maakt dat hij alle angst overwint. Bartimeüs beseft dat dankzij deze ontmoeting zijn leven helemaal kan veranderen, en hij roept nog luider: “Zoon van David, heb medelijden met mij!”

Het is het gebed van de kleinen en de armen die zich dag en nacht keren naar de Heer, zonder ophouden, omdat hun nood blijft duren. Zodra Bartimeüs hoort dat Jezus hem wil zien, gooit hij zijn mantel af en rent naar Hem toe.

Hij gooit de mantel weg die hem jarenlang heeft bedekt. Het was misschien zijn enige bescherming tegen de ijzige koude van de winters en tegen het verharde hart van de menigte. Maar Bartimeus begrijpt dat hij zijn armoede niet langer moet bedekken. Hij heeft die bescherming niet meer nodig, omdat hij hoort dat de Heer hem roept.
Hij springt op en haast zich naar Jezus. Hij rent, hoewel hij niet ziet. In feite ‘ziet’ hij veel dieper dan die menigte. Hij hoort de stem van Jezus en loop erop af. Het is alleen maar een stem, maar ze verschilt van het lawaai en de grove taal van de menigte die hem het zwijgen wil opleggen.

Bartimeüs volgt die stem en ontmoet de Heer. Zo is het met iedereen die het woord van God hoort en in de praktijk brengt.   Want luisteren leidt tot een persoonlijke ontmoeting met de Heer. Het is Jezus die begint te spreken. Jezus houdt halt, spreekt met de blinde, toont belangstelling voor hem en voor zijn situatie en vraagt hem: “Wat wil je dat Ik voor je doe?” 

Met dezelfde eenvoud waarmee hij tevoren had gebeden, zegt Bartimeüs Hem: “Rabboeni, dat ik weer kan zien”. Bartimeüs heeft het licht herkend zonder het te zien. Daarom krijgt hij meteen het zicht terug. “Ga, uw vertrouwen is uw redding,” zegt Jezus hem.

Bartimeus toont ons de eenvoud van onze vriendschap met Jezus.  Wij moeten leren zoals hij om de stem van Jezus te horen tussen de zovele harde roepers in deze wereld.  Een stem die zich niet opdringt, die niet staat te roepen.  Een stem die woorden van leven spreekt. 

Bartimeus vertrouwt erop dat Jezus hem kan doen zien.  Dit toont hoe groot zijn geloof en vertrouwen in Jezus is.  Laten wij leren van deze arme blinde man, laten wij zoals hij vertrouwen op de liefde van God die geen grenzen kent.

21 oktober 2018


Jes 53, 10-11
Mc 10, 35-45

Vandaag horen we in het evangelie de dialoog tussen Jezus en de twee zonen van Zebedeus;  Jakobus en Johannes.  Ze zijn onderweg naar Jeruzalem en voor de derde keer op rij heeft Jezus aan zijn leerlingen verteld dat hij zal moeten lijden en sterven. 
De twee leerlingen zijn helemaal niet geraakt door de woorden van Jezus, ze zijn niet gechoqueerd door wat Jezus hen verteld.  Ze vragen zich niet af waarom dit Jezus moet overkomen of wat ze kunnen doen om zijn lijden te verminderen of verhinderen.  Nee, ze zijn enkel met zichzelf bezig en vragen zich af welke plaats zij zullen krijgen in Zijn Koninkrijk.
Jezus wordt niet boos op hen, al had hij er alle reden toe.  Hij zegt alleen maar: je weet niet wat je vraagt.   Deze leerlingen weten inderdaad niet wat ze vragen, ze begrijpen niet wat voor een lijden  Jezus te wachten staat.  De leerlingen vragen voor zichzelf, zoals wij ook zo vaak doen. 

Jacobus en Johannes willen de eerste zijn, maar ze hebben nog niet begrepen wat dat betekend voor Jezus.  De eerste zal de laatste moeten willen zijn, wie groot wil worden moet dienen, de eerste onder u moet slaaf van u zijn.
Als wij de eerste plaats in het koninkrijk van God willen hebben, moeten we de andere dienen. 
Jezus wordt niet boos op deze zonen van Zebedeus, hij legt hen geduldig uit dat ze er nog niet veel van begrepen hebben.  Hij vraagt hen of ze in staat zijn om Zijn beker te drinken, dat wil zeggen Zijn lijden te dragen.
Johannes en Jacobus worden de zonen van de donder genoemd, wat misschien al een beetje meer duidelijk maakt over hun karakter…
Het zijn wel degelijk leerlingen van Jezus, leerlingen die Jezus in zijn dichtste kring heeft.  Zij zijn degenen die samen met Petrus mee op de berg gaan met Jezus als hij van gedaante verandert, zij zijn ook degenen die Jezus meeneemt in de hof van olijven en waar hij hen vraagt om bij hem te waken, maar ze vallen telkens weer in slaap.
Langs de ene kant is het een mooie vraag, want het toont dat ze dicht bij Jezus willen blijven, maar het is een vraag die gericht is op zichzelf, niet op de anderen.
Jezus legt aan hen en aan ons allen uit, dat deze vraag niet klopt met zijn boodschap.  De heersers der volkeren regeren met ijzeren vuist, dat wil zeggen de koningen en bazen van deze wereld zijn streng en hard.  Maar Jezus zegt meteen erna: dit mag bij u niet zo zijn.

Jezus wil niet dat zijn leerlingen zijn zoals de wereld.  Wie groot wil worden moet dienen.  De eerste onder de leerlingen moet slaaf willen zijn.  Voor een christen moet het altijd zo zijn: wie een verantwoordelijke functie opneemt, blijft leerling.  En niemand is zo belangrijk, dat hij zich niet meer klein moet maken voor God.
Want als Jezus zelf gekomen is om te dienen, moeten wij dan niet als eerste de anderen en elkaar dienen?

Jezus heeft dit voorgeleefd in heel zijn leven en misschien nog wel het duidelijkst in het gebaar van de voetwassing.
Mensen willen macht hebben, willen de baas zijn, heersen over anderen. Maar Jezus is erg duidelijk: dit mag bij u niet zo zijn!
Wie de grootste wil zijn in de ogen van God, moet dienaar worden van allen en zoals Jezus zijn leven willen geven om de liefde te laten winnen.



7 oktober 2018

Gen 2, 18-24 
Mc 10, 2-16

Het is niet goed dat een mens alleen blijft.  Deze woorden die God aan het begin van de geschiedenis van vriendschap tussen God en de mensen zegt, zijn heel krachtig en ze zitten in het hart van elke mens.  Iedereen is geroepen om deel uit te maken van een groep, om niet alleen te zijn.  Waarom is het belangrijk om niet alleen te zijn?  Om elkaar te kunnen ondersteunen en helpen.
Vandaag spreekt het evangelie ons over de bijzondere band tussen 2 mensen die het huwelijk is.  Jezus spreekt hierover omdat hij opnieuw een vraag krijgt van de Farizeeërs.  We weten dat die erop uit waren om Jezus in de val te lokken.  Ze stelden altijd vragen met de bedoeling om Jezus dingen te doen zeggen die tegen de Joodse wetten waren. 
Maar Jezus trapt niet in hun val.  Hij herhaalt letterlijk wat er in de eerste bladzijden van het boek Genesis staat.  Het boek Genesis is het allereerste boek in de Hebreeuwse bijbel en dus een boek dat de joden lezen. 
In dit boek staat dat God de mensen gemaakt heeft naar zijn beeld en onlosmakelijk aan elkaar verbonden heeft.  Hier zit een gebod in: dat wat God verbonden heeft, niet door de mensen verbroken mag worden.
De 2 echtgenoten zullen één zijn, zegt Jezus.  Dat woord één is erg belangrijk.  De vreugde die Adam voelt wanneer hij Eva ziet, is de vreugde van de liefde.  Niet van meester of baas te zijn over de andere, maar de vreugde van elkaar graag te zien.
En als die eenheid verbroken wordt, zijn het de zwaksten die hiervan het meeste lijden.  De kinderen, de ouderen, de zieken.   De eenheid van het huwelijk is een heilig verbond, waar je niet lichtjes mag overgaan.
 In de tijd van Jezus kozen de mensen meestal niet zelf met wie ze zouden trouwen.  De ouders onderhandelden een ‘deal’ die eigenlijk redelijk zakelijk was.  Jezus spreekt niet over het zakelijke, maar over de liefde en de eenheid. 
En dan tonen de leerlingen opnieuw dat ze toch nog niet veel begrepen hebben van de woorden van Jezus.  De mensen proberen kinderen tot bij Jezus te brengen, maar de leerlingen sturen hen weg. 
 Jezus houdt heel veel van kinderen en zegt zelfs, dat grote mensen ook als kinderen moeten zijn, om in de hemel te komen! Daarna omarmt Hij de kinderen en zegent hen.
Jezus zegt dus niet even “Hallo!” tegen de kinderen en gaat verder met waarmee Hij bezig was. Nee, Hij geeft hen alle aandacht, neemt de kinderen in de armen, en zegent hen.  Maar waarom zouden grote mensen zoals kinderen moeten zijn?
Volwassenen hebben hun hoofd vaak helemaal vol allerlei gedachten, veroordelingen, drukke agenda’s, alles wat ze nog willen hebben en nog veel meer.
(Kleine) kinderen hebben dat niet, zij staan open voor alle mensen; ze kijken niet naar de kleren of spulletjes van iemand, maar zien of een glimlach echt is.
Kinderen zijn vol verwondering voor de natuur en alle grote en (hele) kleine dingen die God daarin gemaakt heeft. Grote mensen zien al dat moois vaak helemaal niet meer.  Aan de hand van mama en of papa, hebben kinderen vertrouwen in wat gaat gebeuren, ook als het nieuw en onbekend voor ze is.
Jezus zegt dat iedereen moet worden zoals kinderen, dat alle mensen dus vol verwondering moeten kijken naar de wereld en naar de mensen, dat alle mensen moeten vertrouwen op God, zoals een kind vertrouwt op zijn ouders. 
Want als wij dit vertrouwen hebben, zullen wij zien dat die andere die wij ontmoeten ook een kind van God is en dus onze broer of zus. Dan zijn er geen vreemdelingen meer, dan zijn er geen vijanden meer, dan is de schepping volmaakt zoals God ze gewild heeft.
 

30 september


Nu 11, 25-29
Mc 9, 38-43.45.47-48


Vandaag horen we hoe Johannes tot bij Jezus gaat met een probleem.  Ze hebben namelijk iemand duivels zien uitdrijven die niet een leerling van Jezus is en ze hebben geprobeerd om hem tegen te houden.  Arme Johannes, hij heeft er nog niet veel van begrepen…
Opnieuw verzamelt Jezus zijn leerlingen rond zich en legt hij hun zijn woorden opnieuw uit. In de eerste lezing uit het boek Numeri horen we een gelijkaardig verhaal. Daar hoorde Jozua dat twee mannen die niet hoorden bij de groep van 70 oudsten van Israël waren begonnen te profeteren.
De reactie van Jozua is heel direct.  Hij rent naar Mozes om te vragen dat hij die 2 mannen zou verbieden om te spreken.  Maar Mozes reageert zoals Jezus: hij zegt ‘Ik zou willen dat heel het volk van de Heer zou profeteren’.
Waren alle mensen maar profeten!  Het woord van God is aan ieder van ons gegeven opdat wij erover zouden spreken met iedereen.  Niet enkel met het kleine clubje dat naar de kerk gaat en hetzelfde denkt.  Vaak zijn wij zoals Jozua of Johannes die jaloers reageren als iemand buiten hun kring spreekt en mensen aantrekt.
Maar zo denkt Jezus niet: hij denkt niet in wij en de anderen.  Voor Jezus is elke mens een kind van God, hij maakt geen onderscheid. Houd hem niet tegen, zegt Jezus, want iemand die in mijn naam een machtige daad verricht zal niet snel kwaad over mij spreken.  Het goede, wie het ook doet, komt altijd van God.  Wie de armen helpt, de zwakken ondersteunt, kortom wie de werken van barmhartigheid verricht (kennen we ze nog allemaal?) is een vriend van God. 
God doorbreekt alle schema’s en onderverdelingen die de mensen in hun hoofd maken. De kerk bewaart deze wijsheid in het evangelie, ook al is ze niet de enige die ze bezit.
Jezus was blij om te zien dat velen genazen.  In het scheppingsverhaal staat al dat God zag dat het goed was, heel zijn schepping.  Niet alleen het deeltje dat nadien kerk werd.
Het goede wordt altijd uit God geboren, want God is de bron van alle goedheid.  Het probleem is het kwade dat ook in de wereld is en dat niet van God komt.  Daarvoor heeft Jezus harde woorden, die ons bijna overdreven lijken: Want wat zegt Jezus dat we moeten doen met onze hand als die aanstoot geeft?  Als die dus het goede niet doet? Dreigt uw hand u aanstoot te geven, hak ze af; het is beter voor u verminkt het leven binnen te gaan dan in het bezit van twee handen in de hel te komen, in het onblusbaar vuur.  En wat zegt hij over onze voet?  Geeft uw voet u aanstoot, hak hem af; het is beter voor u kreupel het leven binnen te gaan dan in het bezit van twee voeten in de hel te worden geworpen. En Jezus geeft nog een derde voorbeeld?  Wie weet er nog welk? Geeft uw oog u aanstoot, ruk het uit; het is beter voor u met een oog het Rijk Gods binnen te gaan dan in het bezit van twee ogen in de hel te worden geworpen, waar hun worm niet sterft en het vuur niet gedoofd wordt.

Met deze woorden, maakt Jezus duidelijk dat we altijd moeten waakzaam zijn voor het kwade dat in ons leven kan binnensluipen en dat we het altijd direct moeten aanpakken.  Wij kijken vaak enkel naar onszelf en denken dat het niet zo erg is om af en toe iets fout te doen.  Maar daarover is Jezus erg duidelijk.  Laten we minstens één oog van onszelf afwenden zodat we de anderen zien en niet alleen onszelf, laten we minstens één voet in de richting van de zwakkeren zetten zodat onze passen niet enkel voor onszelf zijn en laten wij minstens één hand uitstrekken om de anderen te ontmoeten en te helpen.
Jezus zegt ook nog: wie zijn leven wil redden zal het verliezen, maar wie het verliest voor zijn naam, zal eeuwig leven vinden.
Dat is ook de weg van Franciscus van Assisi.  Die heeft zijn leven willen verliezen, heeft er voor gekozen om zijn leven niet langer rond zichzelf te laten draaien maar om de arme zo centraal te stellen in zijn leven dat hij zelf als arme is beginnen leven.  En zo heeft hij eeuwig leven gevonden en is hij als heilige een voorbeeld geworden voor zoveel mensen.

16 september 2018


Js 50, 5-9
Mc 8, 27-35

“Wie is volgens de mensen die Jezus van Nazaret?”. Dat is een heel erg belangrijke vraag – in de tijd van Jezus, en ook nog vandaag. Marcus plaatst deze vraag trouwens letterlijk centraal in zijn evangelie, want we bevinden ons in het achtste hoofdstuk van zestien.  Dat is dus precies in het midden. Het is een beslissende episode. Het verhaal speelt zich af in Galilea, terwijl Jezus rondtrekt in de dorpen rond Cesarea van Filippus. Dit stadje bevond zich vrij ver van Jeruzalem, in bijna volledig heidens gebied. De evangelist lijkt wel te willen aangeven dat het van hier is dat de weg van Jezus naar Jeruzalem vertrekt. Vanaf hier spreekt Jezus “ronduit” met zijn leerlingen, zonder dat iets Hem tegenhoudt. Terwijl ze op weg zijn, ondervraagt Jezus zijn leerlingen over wat de mensen over Hem denken. We zien duidelijk hoe het Jezus zelf is die deze ‘centrale vraag’ van het evangelie stelt: wie is Hij eigenlijk?  Het is alsof Jezus écht wel wil dat zijn leerlingen hierover nadenken. 

We kunnen gerust stellen dat de mening van de mensen overwegend positief blijkt te zijn, en dat ze zelfs raak schiet, althans gedeeltelijk. Ze zijn het er allen over eens dat God de hand heeft in Jezus, maar het oordeel hierover is niet helemaal duidelijk – ondanks de bewondering die ze hebben voor Hem als weldoener en genezer. Daarom laat Jezus de mening van de mensen terzijde, om zich specifiek tot zijn leerlingen te richten: “En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?”. Petrus antwoordt Hem voluit: “ U bent de Messias” (dit is het Hebreeuwse woord voor “gezalfde”, in het Grieks vertaald “Christus”). Dit lijkt het antwoord te zijn dat Jezus wilde horen.

Na deze geloofsbelijdenis, waarin Petrus Hem herkent als de Messias, begint Jezus te spreken over zijn lijdensweg – Hij zal dit nog twee keer doen nadien. Hij legt uit dat de Mensenzoon veel zal moeten lijden, dat Hij verworpen zal worden door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden, ter dood zal gebracht worden en de derde dag zal opstaan uit de doden. Als Petrus deze woorden hoort, neemt hij Jezus apart en begint hij Hem de les te lezen. Hij had de grootheid van Jezus toch erkend?  Zoveel zelfs dat hij Hem de hoogste titel die hij zich kon inbeelden had toegekend, maar hij kon niet aanvaarden dat Jezus zo’n einde tegemoet zou treden.
Hier botsen twee opvattingen over de betekenis van Messias met mekaar: aan de ene kant hebben we de opvatting van Petrus, die gekoppeld is aan kracht, almacht, de komst van een politiek rijk; en aan de andere kant de opvatting van Jezus, getekend door de verlaging van zichzelf tot aan de dood, die zal eindigen met de verrijzenis.

De leerling, die in naam van de anderen Jezus herkend heeft als de Messias, is nu een tegenstander geworden. Jezus kan niet anders dan hem terechtwijzen in het bijzijn van alle andere leerlingen. Met een indrukwekkende hardheid zegt Hij hem: “Weg daar, achter mij, satan!”.
Deze woorden lijken erg op die van het evangelie volgens Matteüs, aan het einde van de bekoringen in de woestijn.  Wanneer de duivel Jezus uitdaagt en zegt dat hij Hem alle koninkrijken van de wereld zal geven indien hij voor hem op de voeten zou vallen… In beide gevallen wordt Jezus ertoe uitgedaagd om een Messias te zijn die heerst over de wereld met strenge hand, maar dat is de aardse macht zoals wij ze kennen. Het is zeker en vast niet gemakkelijk om een Messias te aanvaarden die de weg van het kruis en van de vernedering kiest, terwijl net dit de weg is die God wil voor de Messias.
Jezus roept de menigte bij zich en zegt hun dat iemand, als hij Hem wil volgen, met zichzelf moet breken, zijn kruis opnemen en Hem volgen. En Hij voegt hieraan toe: wie zijn leven zo verliest, zal het redden. Dit alles zal duidelijk worden op de dag van de verrijzenis. Maar nu reeds weten we dat de weg van de dienst aan het evangelie en aan de Heer leidt tot het volle leven.

9 september


Jak 2, 1-5
Mc 7, 31-37.

Vandaag lazen we uit het evangelie van Marcus, het vertelt over de genezing van een doofstomme, of liever een man die lijdt aan zwaar stotteren – de genezing bestaat uit het goed kunnen spreken. Jezus doet dit wonder in de regio Dekapolis, een heidens gebied buiten de grenzen van Israël.
De evangelist Marcus wil dus duidelijk maken dat het evangelie niet alleen voor het volk van Israël is, maar dat iedereen recht heeft om de reddende en bevrijdende barmhartigheid van God te ontvangen. Ook die doofstomme die bij Jezus wordt gebracht om te genezen.
Jezus neemt hem apart, ver van de andere mensen, alsof Hij de noodzaak wil laten zien van een persoonlijke relatie tussen Hem en de zieke. Wonderen gebeuren altijd in de sfeer van een diepgaande vriendschap met God.  Je kan moeilijk vriend worden van iemand die heel veraf van je is. 
Jezus kijkt op naar de hemel en zegt tegen de doofstomme: “Effata!”, dit betekent: “Ga open!”. Het is maar één woord, maar het komt voort uit een gebed en een hart vol van Gods liefde. “Meteen,” zegt de evangelist, “ging zijn tongriem los en hij sprak normaal”.
Wat belangrijk is, is dat dit woord uit een gepassioneerd hart zoals dat van Jezus komt, en dat het ontvangen wordt door een behoeftig hart zoals dat van die doofstomme. Jezus richt zich niet tot de oren en de mond, maar tot de hele persoon. Het is aan de doofstomme, niet aan zijn oren, dat Hij zegt: “Ga open!” En het is de hele persoon die geneest door zich te openen voor God en de wereld.
De nauwe band tussen doofheid en stomheid is bekend. Om hiervan te kunnen  genezen, moeten beide organen worden genezen. Maar dit is eigenlijk ook zo voor alle christenen:  wij moeten onze oren openen om te luisteren naar het woord van God. En onze tong moet los komen om te spreken. Er is een hechte band tussen het luisteren naar het woord en het kunnen doorgeven. Wie niet luistert, blijft stom, ook in het geloof.
Dit wonder helpt ons na te denken over de band tussen onze woorden en het woord van God. Vaak geven wij niet genoeg aandacht aan onze woorden. Maar door onze woorden uiten we onszelf meer dan we denken. En niet zelden verspillen we onze woorden of gebruiken we ze slecht. De apostel Jakobus herinnert ons: “Uit dezelfde mond komen zegen en vloek. Dit mag niet zo zijn, broeders en zusters!” (3, 10). Ook wij, doven en stommen, moeten luisteren om te kunnen spreken, om goed te kunnen spreken. Dit is het wonder van het goed spreken, de genezing van het verdeeldheid zaaiend en kwade spreken, waar Jakobus het over heeft. Vaak vergeten we de opbouwende of vernietigende kracht van onze tong.
We moeten allereerst naar het woord van God te luisteren zodat het onze woorden, onze taal, en onze manier van spreken reinigt en vruchtbaar maakt. Voor de christenen is dit een ernstige verantwoordelijkheid, omdat het woord de enige manier is waardoor we in staat zijn het evangelie te communiceren. Jezus zegt: “Ik zeg u: over ieder zinloos woord dat de mensen spreken, zullen ze verantwoording moeten afleggen op de dag van het oordeel. Want op grond van uw woorden zult u rechtvaardig bevonden worden en op grond van uw woorden zult u veroordeeld worden”.

2 september



Dt 4, 1-2.6-8
Mc 7, 1-8.14-15.21-23


Luister Israël.  Zo begint de eerste lezing uit het boek Deuteronomium.  Luister Israël, luister volk van God.  De Heer vraagt ons om altijd naar zijn Woord te luisteren.  En niet alleen aan ons, aan heel het volk, aan gelovigen en ongelovigen, aan joden, aan moslims, kortom aan alle mensen. 
Het boek Deuteronomium is een boek uit het oude testament en richt zich dus tot het joodse volk.  Misschien heb je in Antwerpen, of ergens anders op  de deurpost van een huis waar een joodse familie woont, wel eens een kokertje gezien, een zogenaamde Mezoeza. En dan heb je je misschien ook wel afgevraagd wat dat betekent. Het woord mezoeza betekent niet meer en niet minder dan 'deurpost'.  In het kokertje zit een kleine perkamentrol, waarop een tekst staat, de basistekst van het jodendom: 'Luister, Israël, de Heer is onze God, de Heer is de Enige. U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten. De geboden die ik u vandaag voorschrijf, moet ge in uw hart prenten. Spreek er telkens opnieuw met uw kinderen over, zowel thuis als onderweg, wanneer u slapen gaat en opstaat.  Grif ze in de deurposten van uw huis en op de poorten van uw stad'.
De joodse mensen volgen dit heel strikt op.  Ze hangen deze tekst dus op hun deur en raken dit kokertje aan of kussen het als ze binnen of buiten gaan.  Ook binden ze deze woorden met gebedsriemen op hun voorhoofd.  Luister Israël.  God spreekt tot ons en Hij vraagt ons om te luisteren. 
Het woord van God wordt overvloedig gezaaid.   Zoals in de gelijkenis van de zaaier, die vroeg in de ochtend naar buiten ging om te zaaien, herinneren. Ook in onze tijd gaat die zaaier uit, trouw en vrijgevig, en zaait het zaad overvloedig in het hart van de mensen. Het is aan ons om dat woord te ontvangen en het te laten groeien, zodat het niet alleen niet zal verstikken onder ons gewicht, maar overvloedig vrucht zal dragen.
Johannes de Doper begreep dit wanneer hij zei dat de mensen hun hart moesten bekeren om zich klaar te maken voor de komst van Jezus.  Luister Israël, bekeer u, want het Rijk van God is nabij. 
Het koninkrijk van God is al op aarde, wij ontdekken het wanneer we luisteren naar de woorden van de Heer.  En het Woord van God blijft nooit hetzelfde, hoe meer we het horen en er écht naar luisteren, hoe meer het in ons hart blijft en we betere mensen worden.
Vandaag is het na de eucharistieviering de herdenkingswandeling van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog.  Een oorlog waarin miljoenen mensen zijn uitgeroeid, gestorven omwille van haat omdat ze anders waren.  Dit mogen we nooit vergeten, want anders zou het opnieuw kunnen gebeuren.  Dat is het gevaar van de andere als ‘anders’ te beschouwen.  Na een tijdje word je bang van die anderen, wordt hij/ zij de vijand en kunnen er zo’n verschrikkelijke dingen gebeuren als de ‘Shoah’. 
Een christen kan geen vijanden hebben want Jezus heeft gezegd dat wij zelfs onze vijanden graag moeten zien.  Hij zelf was daar het voorbeeld van toen hij aan het kruis zei: Vader, vergeef het hen want ze weten niet wat ze doen. 
Jezus bad tot God voor diegenen die hem kruisigden.  Wij moeten zijn voorbeeld volgen en die liefde voor iedereen ook beleven. 

zondag 20 augustus


Spr 9, 1-6
Joh 6, 51-58

Beste vrienden,
“Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als men van dàt brood eet, zal men leven in eeuwigheid. En het brood dat ik al geven, is mijn vlees, voor het leven van de wereld,” zegt Jezus. Zijn luisteraars herinneren zich de tekst in de Bijbelse die we in de eerste lezing hebben gelezen, waarin de vriendschap met God wordt uitgedrukt met het beeld van een feestmaal.
Er staat geschreven dat de wijsheid haar tafel heeft gedekt en iedereen uitnodigt: “Kom, eet mijn brood en drink de wijn die ik gemengd heb. Laat je onverstand varen en jij zult leven en de weg van het inzicht betreden”. Met het beeld van het feestmaal neemt Jezus de woorden van de Schrift over en Hij doet ze meteen ook uitkomen.   
Hij zegt dat Hij zelf, zijn eigen lichaam, het brood van het feestmaal is. “Hoe kan hij ons zijn vlees te eten geven?”. De joden beginnen te discussiëren over de betekenis van zijn woorden. Maar Jezus, die weet wat ze denken, herhaalt het nog een keer: “Waarachtig, Ik verzeker u: als u het vlees van de Mensenzoon niet eet, als u zijn bloed niet drinkt, is er geen leven in u”.
Deze woorden van Jezus zijn erg concreet, ze lijken zelfs ruw en dagen uit. ‘Zijn vlees en zijn bloed’ betekent de hele mens, de hele persoon, zijn hele leven, zijn hele geschiedenis. Jezus biedt zichzelf aan zijn luisteraars aan, op de meest realistisch mogelijke manier, een manier die alle mensen kunnen begrijpen: Hij biedt zichzelf aan als voedsel voor iedereen.
Jezus wil niets voor zichzelf houden en geeft zijn hele leven voor de mensen. Dat is eigenlijk wat de eucharistie voor ons is.  Paulus zegt aan de christenen van Korinte: “De beker van de zegening, die wij zegenen, geeft ons gemeenschap met het bloed van Christus. En het brood dat wij breken, geeft ons gemeenschap met het lichaam van Christus” (1 Kor 10, 16).
Dat moet ons doen nadenken over de manier waarop wij de eucharistie benaderen. Hoe vaak zien wij de schoonheid en de zoetheid van dit mysterie van liefde niet meer? Een mysterie van liefde dat zo groot is dat het ieder van ons zou moeten doen denken dat wij onwaardig zijn het te ontvangen.
Het is een waarheid die we vaak vergeten. Het is de Heer die ons tegemoet komt; Hij is het die zo dicht bij ons komt dat Hij zich tot voedsel en drank maakt. De houding waarmee wij de eucharistie moeten naderen moet die zijn van de bedelaar die zijn hand ophoudt, die bedelt om liefde, om genezing, om troost en om hulp.

Oude verhalen vertellen over een vrouw die naar een woestijnvader gaat en hem opbiecht dat ze overvallen wordt door verschrikkelijke verleidingen en er vaak door overweldigd wordt. De heilige monnik vraagt haar hoe lang ze al niet ter communie is gegaan. Ze antwoordt dat ze al verschillende maanden de heilige eucharistie niet heeft ontvangen. De monnik antwoordt haar met ongeveer deze woorden: “Probeer eens even lang niets te eten, en kom dan terug om me te vertellen hoe je je voelt”. De vrouw begreep wat de monnik haar wilde zeggen en begon regelmatig ter communie te gaan.
De eucharistie is het onmisbare voedsel voor het leven van de gelovige, het is het leven zelf, zoals Jezus zegt als afsluiting: “Zoals Ik leef uit de Vader, de Levende, die Mij gezonden heeft, zo zal ook hij die zich met Mij voedt, leven uit Mij”. Het enige wat wij dan moeten doen is die uitnodiging beantwoorden en de zoetheid en kracht van dit brood proeven dat de Heer ons gratis en overvloedig blijft geven.

zondag 12 augustus


1 Kon 19, 4-8
Joh 6, 41-51.

Wanneer Jezus zegt: Ik ben het brood, praat Hij eigenlijk over het verhaal in de Oude Testament wanneer Mozes het volk door de woestijn leidt na de vlucht uit Egypte.  Jezus praat over het manna dat uit de hemel werd gegeven aan het volk Israël in de woestijn. Hij zegt:  ‘Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald’. De aanwezigen die dit horen, beginnen te morren.
De mensen begrijpen het niet.  Hoe kan hij over zichzelf zegen dat hij het brood is dat uit de hemel komt!  Ze kennen hem toch!  Het is de zoon van Jozef en Maria, hij is opgegroeid tussen hen. 
Hoe kan dit de redder van de mensen zijn?  Hetzelfde zouden we vandaag kunnen zeggen over de kerk.   Hoe is het mogelijk dat een arme christelijke gemeenschap, met alleen kwetsbare sacramentele tekens en een klein boek als de Schrift, instrument van verlossing kan zijn?
En toch is in dit mysterie het hart van ons geloof verborgen: het Woord dat de wereld heeft geschapen kiest menselijke woorden om zich te openbaren; degene die alles heeft geschapen is ‘echt’ aanwezig in een beetje brood en wat wijn; de Heer van de hemel en de aarde is daar aanwezig waar twee of drie verenigd zijn in zijn naam. “Ik ben het brood om van te leven. Uw voorouders hebben in de woestijn het manna gegeten, en toch zijn ze gestorven. Zo is het niet met het brood dat uit de hemel neerdaalt: wie daarvan eet zal niet sterven”.
Ons probleem is dat wij deze woorden te vaak hebben gehoord, waardoor wij bijna niet meer kunnen begrijpen dat er in deze woorden een kracht schuilt die in staat is om alles te veranderen. Zoals het manna de redding was voor de Israëlieten, zo is Jezus de verlossing voor de mensen. “Ik ben het levende brood, dat uit de hemel is neergedaald. Als men van dàt brood eet, zal men leven in eeuwigheid. En het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, voor het leven van de wereld”.
Wie zich verbindt aan Jezus – wie zijn vlees eet – heeft het eeuwig leven. Het evangelie zegt niet ‘zal hebben’ maar ‘heeft’ nu al het eeuwig leven, ontvangt nu al het leven dat niet eindigt – in het evangelie volgens Johannes is ‘eeuwig leven’ synoniem voor ‘goddelijk leven’.
Het leven van de kerk, zoals het leven van elke gelovige, wordt gevoed door het “brood dat uit de hemel neerdaalt”.

Het verhaal van Elia is al een afbeelding van dit mysterie. De profeet wordt vervolgd door koningin Jezebel en moet vluchten. Na een ontsnapping raakt hij vermoeid en verdrietig verlangt hij naar de dood. Terwijl zijn krachten, in het bijzonder van zijn geest, verminderen, daalt een engel af uit de hemel, wekt hem uit zijn slaap en zegt hem: “Sta op en eet”.
Elia ziet een koek aan zijn hoofdeinde en eet die op. Maar opnieuw valt hij in slaap. De engel moet hem een tweede keer wakker maken, alsof deze passage wil zeggen dat het nodig is om altijd door de engel gewekt te worden en het ‘brood van het leven’ te eten.
Niemand mag denken dat hij dit brood niet nodig heeft, dat hij zelfstandig genoeg is zonder, iedereen moet gevoed worden. “Gesterkt door dat voedsel liep hij veertig dagen en nachten, tot hij de berg van God, de Horeb bereikte” staat er op het einde.
De profeet maakt de reis van het volk Israël door de woestijn tot aan de berg waar Mozes God ontmoette. Het is het beeld van de pelgrimsreis van elke gelovige.
Jezus, het levend brood dat uit de hemel is neergedaald, wordt ons voedsel om ons te ondersteunen op weg naar de berg van de ontmoeting met God.

Zondag 17 juni


Ez. 17, 22-24
Mc. 4, 26-34

Bij het lezen van de verhalen van vandaag horen we dat heel de tijd gaat over het Rijk van God.  Jezus gebruikt verschillende manieren om duidelijk te maken aan de leerlingen wat hij hiermee bedoelt.  Hij spreekt in parabels.  Parabels zijn verhalen die Jezus vertelt met de bedoeling iets beter uit te leggen, een beetje zoals een voorbeeld geven van iets.
Jezus weet dat zijn leerlingen, dat alle mensen het vaak moeilijk hebben, om Zijn Woord goed te begrijpen.  Wij ook.  We denken soms dat we het al kennen, of dat we het al eens een keertje eerder gehoord hebben en al begrepen hebben.   Of soms denken we dat het toch maar raar is wat Jezus allemaal vertelt.
Parabels maken het Woord van God duidelijker, omdat het over dingen gaat die de mensen goed kennen, zoals het zaaien van planten en zaden.
De eerste parabel gaat over iets heel bekends: de boer zal eerst zaadjes in de grond steken en na de zaaitijd wacht hij geduldig totdat de zaadjes kiemen en langzaam veranderen in planten.  De boer geeft water aan het zaad, hij verzorgt het door het onkruid eruit te halen en hij zorgt er ook voor dat er geen vogels komen om het zaad weg te roven.
Ieder van ons moet zoals die boer zijn die zorg draagt voor het zaad.  Maar over welk zaad hebben we het dan?  Het zijn de zaadjes van vriendschap die in ons hart en in onze wijk gepland worden.  De zaadjes van vrede en van solidariteit, van verdraagzaamheid, van vriendschap tussen jong en oud. 
God zorgt ervoor dat die zaadjes groeien, zoals de aarde spontaan vruchten voortbrengt.  Maar het is aan ons om zoals de boer ervoor te zorgen dat de juiste zaadjes op de juiste plaats groeien, zodat er vrede komt op plaatsen waar er ruzie is.  Zodat er verdraagzaamheid komt, op plaatsen waar er racisme en haat is.  Zodat er leven komt, op plaatsen waar er enkel nog eenzaamheid was.
In de tweede parabel vergelijkt Jezus het Rijk Gods met een klein zaadje, het kleinste dat er is: een mosterdzaadje.  In het Rijk Gods gebeurt er namelijk exact het omgekeerde van wat de mensen denken.  Wie onder u de eerste wil zijn, moet dienaar worden van allen.
Jezus zegt dat het met het Rijk Gods hetzelfde is als met dat kleine zaadje.  Het begint heel klein, je ziet het bijna niet, het lijkt onbelangrijk voor de wereld.  Maar zodra het groeit, kan het uitgroeien tot een stevige boom, één van de grootste onder de bomen.  Zo is het ook met het goede dat wij doen.  Soms denken wij mss, wat maakt het uit: één bezoekje aan een bejaarde?  Of wat maakt het uit, één gebed voor de vluchtelingen?
Maar als wij zo denken, vergeten wij de kracht van God, die het kleinste zaadje kan doen uitgroeien tot een stevige boom.
Het Rijk van God kiest de weg van de zwakste, van de kleinste.  Het geeft de voorkeur aan wie niet meetelt in deze wereld.  En het is in dit Rijk Gods dat de hongerigen te eten krijgen, wie dorst heeft te drinken, waar geen haat of onverschilligheid meer bestaat, waar geen oorlog of geweld meer heerst.
Het Rijk is waar liefde is, waar vrede is.  Je kan zeggen dat je niet naar de hemel gaat als je de werken van barmhartigheid doet, maar dat je al in de hemel bént als je de werken van barmhartigheid doet.  Weten jullie nog welke?  De hongerigen eten geven, de dorstigen te drinken, wie naakt is kleden, wie ziek is bezoeken, wie gestorven is begraven en wie vreemdeling is opnemen en verwelkomen en wie gevangen is bezoeken.
Jezus leert ons het Rijk Gods te begrijpen, maar we mogen ook nooit vergeten dat Jezus zelf zijn leven gegeven heeft, zoals die graankorrel die in de aarde valt en openbarst, zodat er een plant uit kan geboren worden.
Bidden wij de Heer, dat wij mee mogen bouwen aan dit Rijk Gods op aarde.  Bidden wij voor het einde van alle geweld en oorlog, bidden wij voor vrede in de wereld.

50 jaar Sant Egidio


Hand 9, 26-31
Joh 15, 1-8

Beste vrienden,
Vandaag vieren we de 50 ste verjaardag van Sant Egidio wereldwijd.  Allemaal worden we vandaag een beetje 50 jaar, van de jongste tot de oudste.  Want de geschiedenis van Sant Egidio is ook onze geschiedenis ook al waren we er niet van de eerste dag bij. 
50 jaar geleden begon Andrea Riccardi als jongeman samen met een paar vrienden het evangelie te lezen en hij begreep dat die woorden iets betekenden voor zijn leven.  Ze wilden samen de wereld veranderen en ze begrepen dat dit enkel kon als ze begonnen met hun eigen hart te veranderen. 

Een beetje zoals Paulus in de eerste lezing die we gehoord hebben.  Paulus heeft eerst lange tijd de eerste leerlingen vervolgd, hij was boos op hen omdat ze de wetten van de joden niet helemaal volgden en de armen ook op sabath hielpen bv.  Maar op weg naar Damascus, een grote stad in die tijd, heeft Paulus de Jezus die verrezen was ontmoet.  En hij veranderde zijn hart, hij bekeerde zich. 
En vanaf toen begreep Paulus dat Jezus volgen zijn redding was, zijn manier om gelukkig te leven en anderen gelukkig te maken.  Daarom zijn we hier vandaag bijeen in de kerk, omdat wij hetzelfde ontdekt hebben of beginnen te ontdekken.  De woorden van Jezus tonen ons hoe wij geluk kunnen vinden voor onszelf en hoe wij zo de wereld kunnen veranderen.
Paulus heeft zich bekeerd en is toen Barnabas tegenkomen.  En in de bijbel staat: Barnabas heeft zich zijn lot aangetrokken.  Dat is ook heel belangrijk.  Barnabas had vol wantrouwen en verwijten kunnen staan tov Paulus, want hij had uiteindelijk heel veel leerlingen vervolgd.  Maar dat doet Barnabas niet.  Hij begrijpt dat Paulus niet langer dezelfde is, dat hij meer is dan de slechte daden die hij gedaan heeft.  Barnabas is de eerste die Paulus vergeeft en hij brengt hem tot bij de apostelen.
Barnabas geeft Paulus vriendschap en toont eigenlijk al meteen dat de woorden van Jezus waar zijn.  Wie een christen ontmoet, wie een mens van geloof ontmoet, moet vrede ontmoeten, moet vriendschap krijgen, moet vergeving krijgen voor gemaakte fouten.
Op die manier is Barnabas een voorbeeld voor ons, want hij leeft na wat Jezus zelf eerst voorgeleefd heeft.

Want in het evangelie gaat het vandaag juist daarom.  Ze brengen een vrouw tot bij Jezus die een fout heeft gemaakt.  En ze halen er de wet van Mozes bij.  Mozes heeft ons in de wet voorgeschreven zulke vrouwen te stenigen. Hoe staat U daar tegenover?  Het is de valsheid van de Farizeeën en schriftgeleerden die deze vrouw gewoon gebruiken om Jezus in de val te laten lopen.  Want als hij een goede jood zou zijn, zou hij zich toch houden aan de wet van Mozes!
Maar Jezus trapt niet in hun val.  Hij zegt hen om eerst naar zichzelf te kijken.  En als er iemand onder hen was die geen enkele fout gemaakt heeft, dan mocht die als eerste een steen gooien naar de vrouw.  Jezus antwoordt met de vergeving en het medelijden.
En niemand gooit een steen, want ze hadden waarschijnlijk zelf ook allemaal wel fouten gemaakt.   En Jezus gooit zelf ook geen steen naar die vrouw, al had hij geen fouten gemaakt.  Jezus is ons voorbeeld.  Hij wil dat wij zijn evangelie écht beleven: niet oordelen over de anderen, met vriendschap en liefde de anderen tegemoet gaan en zo vrede in de wereld brengen.
Dat is de kracht van de woorden van Jezus die wij lezen in het evangelie elke week in de kerk.  Daarom komen wij telkens opnieuw luisteren naar zijn Woord.  Om betere mensen te worden, om minder naar onszelf te luisteren en meer naar de stem van God die we horen in de woorden van het evangelie. 
Om te bidden voor de wereld en voor al wie in nood is.  Om dankbaar te zijn voor 50 jaar Sant Egidio, 50 jaar vriendschap met de armen en werken voor de vrede. 

Pasen


Hand 10, 34.37-43
Joh 20, 1-9

Wij hebben Jezus gevolgd tijdens de laatste dagen van zijn leven en nu is het Pasen.  Het paasevangelie vertrekt vanuit de duistere nacht.  Johannes schrijft dat het nog donker was toen Maria van Magdala naar het graf ging.  Ook in haar hart heerste duisternis.  Ze is heel erg droevig en heeft geen hoop meer, want ze hebben Jezus gekruisigd en hij is gestorven.

Maar zodra ze aan het graf komt, ziet ze dat de zware steen is weggerold.  Ze loopt meteen naar Petrus en Johannes en zegt: Ze hebben de Heer uit het graf genomen en wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd.

Als Petrus en Johannes zien hoe wanhopig Maria is, lopen ze ook naar het graf.  Ze willen zelf ook gaan kijken.  Ze lopen, ze haasten zich, dit toont hoe elke christen op zoek moet gaan naar Jezus.  Gehaast, snel, niet op het gemak van altijd. 
Johannes, de leerling van de liefde, loopt het snelst en komt het eerst aan bij het graf.  De liefde doet het snelste lopen, maar hij wacht wel op Petrus.  Hij wacht op zijn broer in het geloof.

En Petrus gaat als eerste binnen.  Die Petrus die zo bang was geweest aan het vuur, toen dat dienstmeisje hem herkende, hij vindt stilaan de moed terug.  Ze zien dat het lichaam van Jezus weg is. 

Jezus is niet meer in het graf, hij is verrezen, hij heeft de dood overwonnen.  Hij heeft zich niet zoals Lazarus moeten losmaken uit de zwachtels van de dood, hij heeft de dood overwonnen. 

Dat is Pasen, de dood heeft niet het laatste woord, alles kan veranderen, er is altijd hoop!  Jezus leeft voor altijd.  Het evangelie is opnieuw geboren worden, een wedergeboorte.  En dit nieuws van Pasen mogen we niet voor onszelf houden, maar moeten we delen met de hele wereld.  Alles kan veranderen, elke oorlog kan stoppen, alle haat kan veranderen in liefde. 

4 maart 2018


Ex. 20, 1-17
Joh. 2, 13-25

Het evangelie van vandaag begint met de zin: Toen het paasfeest der Joden nabij was, ging Jezus op naar Jeruzalem.  Jezus was op weg naar het Pesach feest in Jeruzalem.  Ook wij zijn tijdens deze vasten op weg naar Pasen.  We zijn met Jezus mee op weg naar Jeruzalem en we bereiden ons voor op die belangrijke Goede Week.  Een week van lijden, een week van verraad en verdriet, maar vooral een week die eindigt met de verrijzenis.
De vasten is ondertussen 3 weken bezig en we moeten ons afvragen of we trouw zijn gebleven aan onze afspraken, aan de veranderingen die we wilden doorvoeren tijdens deze vasten. 
Wat het is veel makkelijker om verder te leven zoals altijd, een beetje zoals de mensen in de tempel die handel dreven, die offerdieren verkochten en eigenlijk in het huis van God verdergingen met hun leventje van altijd.
Maar Jezus laat dit niet zomaar gebeuren, hij maakt zich boos, maakt een gesel en drijft ze allemaal uit de tempel.    Jezus wordt boos, omdat hij ziet dat het geld belangrijker is geworden voor de mensen dan God zelf.  Het komt op de eerste plaats, het krijgt al hun aandacht.  Jezus begrijpt dat het de 30 denariën zijn die Judas zullen overtuigen om Hem te verraden. 
In de eerste lezing uit het boek Exodus horen we de opsomming van de tien geboden, zoals God ze aan Mozes gegeven had:
Altijd God vereren, nooit afgoden, niet vloeken of de naam van God oneerbiedig gebruiken, de zondag vieren, vader en moeder eren, niet doden, niets doen dat oneerbaar is, niet stelen, tegen uw naaste niet vals getuigen, niets doen dan onkuis is en niet onrechtvaardig begeren wat uw naaste toebehoort. 
Dat zijn duidelijke wetten om een eervol leven te leiden.  En misschien dachten al die handelaren in de tempel wel dat ze dat allemaal deden.  En toch wordt Jezus boos, omdat ze in hun hart niet de juiste keuze hebben gemaakt.  Omdat ze het geld boven God stellen. 
En dan zeggen de mensen tegen Jezus: wie denk jij wel dat je bent.  Waarom durf jij zo tegen ons tekeer te gaan! Maar Jezus laat zich niet afschrikken. 
Hij zegt: Breek deze tempel af en ik zal hem in 3 dagen weer opbouwen.  De mensen dachten dat hij de tempel van Jeruzalem bedoelde maar Jezus bedoelde zijn eigen lichaam.
Jezus jaagt de handelaars weg met een gesel.  Eigenlijk is zijn Woord elke week een beetje zoals die gesel, die de slechte dingen, zoals het egoïsme en onze liefde voor onszelf,  uit ons hart wil wegjagen zodat er alleen plaats overblijft voor het goede. 

25 februari 2018


Gen 22, 1-2.9a.10-13.15-18
Mc 9, 2-10

Twee bergen steken deze tweede zondag van de vasten hoog tegen de lucht af.  De berg Moria en de berg Tabor.  De berg waarop Abraham op de proef werd gesteld door God en de berg waar Jezus van gedaante verandert.

In de eerste lezing uit het boek Genesis lezen we hoe Abraham 3 dagen lang op reis gaat, naar de top van de berg Moria.  Deze tocht is het beeld van elke pelgrimstocht, ook van de tocht van de veertigdagentijd die wij nu meemaken, maar eigenlijk ook de tocht van ons leven.  Een reis, een zoektocht naar God.

God stelt Abraham op de proef.  Hij vraagt hem eigenlijk om zijn vertrouwen op de toekomst niet in zijn zoon te stellen maar wel in God.  De Heer vraagt Abraham om niet op zichzelf te vertrouwen, maar 100% op Hem. 
Dat moet voor Abraham een moeilijke opdracht geweest zijn.  We weten hoe lang hij had moeten wachten op die zoon!  Maar na deze beproeving ontvangt Abraham zijn zoon Isaac eindelijk echt als zoon, niet langer gewoon als bloed van zijn bloed, maar wel als een geschenk van God.
 
Abraham die bereid was op zijn zoon te offeren voor God, krijgt hem terug van God en wordt als die vader die de verloren zoon terug in zijn armen neemt, de zoon die dood was en terug levend is geworden.
Abraham krijgt Isaac als geschenk van God en wordt zo een voorbeeld voor alle gelovigen, hij wordt vader van alle gelovigen genoemd, voor joden, voor christenen en voor moslims.

Dit geloof en dit vertrouwen van Abraham is een groot voorbeeld voor ons allemaal. 
En dan wordt er in het evangelie gesproken over een andere berg: de berg Tabor.  Jezus neemt ons mee naar boven op die berg vandaag, zoals hij deed met zijn drie beste vrienden.  Hij neemt ons mee, om samen met hen die diepe band met de Heer te tonen.  Een verbondenheid die zo sterk is dat ze straalt als een wit licht. 

Jezus zelf is ook die berg opgegaan, hij heeft ook die ‘spirituele’ weg afgelegd, net zoals de leerlingen.  Maar hij gaat ons voor, hij is het voorbeeld. 
Jezus moest de berg op, zoals Mozes en Elia, zoals de leerlingen, zoals elke gelovige.  Geloof en geluk komen niet vanzelf, we moeten er moeite voor willen doen, we moeten die berg op om de Vader te ontmoeten.

Op de berg Tabor zien we Jezus in gesprek met Mozes en Elia.  Die berg Tabor is eigenlijk zoals de eucharistieviering, waarin we samen met Jezus bij de Heer mogen zijn, naar zijn woorden luisteren en deelnemen aan zijn hemelse maaltijd in de eucharistie. 

En zoals Petrus willen we dan zeggen: “Rabbi, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.”  We luisteren naar de stem die zegt: dit is mijn zoon.  Zoals ook al werd gezegd toen Jezus door Johannes de Doper gedoopt werd in de Jordaan.  Luister naar Hem.

Nadat deze stem heeft geklonken, zijn de leerlingen nog alleen met Jezus.  Bijna alsof dit wil zeggen dat de woorden van Jezus alleen genoeg zijn om de liefde van God te leren begrijpen.   Van hieraf kunnen we weer naar beneden gaan en onze weg verderzetten.

Nadat ze op de berg zijn gegaan, zijn de leerlingen niet meer dezelfde als ervoor.   Ze hebben op hun netvlies het beeld van de gedaanteverandering van Jezus. 
De hut die Petrus wilde bouwen, is al door God zelf gebouwd in Jezus.  Hij is het woord dat vlees geworden is en tussen ons heeft geleefd. 
Aan ons dus om dit woord te horen, ernaar te luisteren en in ons hart te laten planten, zodat het veel vruchten van liefde kan voortbrengen in deze wereld.  

18 februari - eerste zondag van de vasten

Gen 9, 8-15
Mc 1, 12-15

Afgelopen woensdag was het aswoensdag, het moment waarop voor de christenen de vastentijd begint.  Een eenvoudig voorstel om de strijd aan te gaan met onze gewoontes, met ons leven van altijd.  Om ons hart te scheuren en nieuw te maken.
Wanneer we een assenkruisje opgelegd krijgen, zegt de priester tegen iedereen: bedenk mens, dat gij van stof zijt en tot stof zult weerkeren.  Met andere woorden, vergeet nooit dat je maar een gewone mens bent, maak dus van jezelf geen god die je achternaloopt.   
Ja, we hebben het nodig om terug te keren naar God.  Om daar aan herinnert te worden, want we vergeten het maar al te snel en zoals de jongste zoon in de parabel van de verloren zoon gaan we onze eigen weg en denken we dat we beter af zijn zonder de vader, dat we het allemaal zelf wel kunnen.

Keer tot God terug met heel je hart.  Niet een klein beetje, maar met heel je hart.
In het evangelie van vandaag wordt Jezus zelf op de proef gesteld in de woestijn.  In het evangelie volgens Marcus staat er ‘door satan’.  Dat betekent door het kwade, door de wil om te leven voor jezelf, om jezelf te redden. 
In Jezus is God eindelijk in de wereld gekomen, om de strijd aan te gaan met het kwade.  En ook wij moeten deze strijd in ons eigen hart voeren, opdat wij altijd zouden kiezen voor het goede en het kwade zouden afzweren.
Jezus houdt van elke mens en wil niet dat er iemand verloren gaat, zoals een herder die om elk schaap geeft en wil dat ze allemaal bij de kudde blijven.  Daarom zegt hij tegen ieder van ons vandaag: de tijd is rijp, bekeer u want het rijk gods is nabij.
Jezus wil niet dat ons leven verloren gaat, dat we droevig worden omdat we de ware vreugde van de vriendschap voor de anderen niet kennen.  Wie zijn eigen leven niet verandert, blijft altijd dezelfde en geeft uiteindelijk toe aan de stem van satan die zegt: kies toch voor jezelf, leef toch voor jezelf.
De veertigdagentijd is een tocht.  En op die tocht worden we uitgenodigd door Jezus.  Maar hij vraagt wel dat we ons zouden haasten en dat we met heel ons hart ons tot God zouden keren. 
Wij denken vaak dat de vraag van Jezus niet dringend is, dat we ook nog wel wat kunnen wachten met onze bekering, dat we wel aan anderen zullen denken als we groot en volwassen zijn.  Dat is fout gedacht.  Onze bekering is dringend, want als we ons eigen hart niet veranderen kunnen we de wereld niet veranderen.  En deze wereld heeft zoveel nood aan verandering, want er is zoveel hardheid, zoveel geweld.  Denken we maar aan de schietpartij in Florida, of de oorlog in Syrië, of de uitbuiting van zovele straatkinderen in het zuiden van de wereld.  Zoveel geweld, zoveel plaatsen waar satan lijkt te overwinnen.
De veertigdagentijd roept ons dringend op om de wereld te veranderen, te beginnen bij ons eigen hart.  Onze bekering helpt om een wereld in vrede tot stand te brengen.
De leerlingen van Jezus zijn geroepen om mensen van het hart te worden, mensen die de liefde van Jezus in de wereld brengen.
Geloven in het evangelie betekent geloven in die Vader die de verloren zoon tegemoetloopt en in zijn armen sluit, zonder dat die jongste zoon dat verdiende.  Het betekent geloven dat dit woord de weg van vrede is die de wereld zal veranderen.

Het betekent geloven in de kracht van het gebed.  Laat ons deze vastentijd gebruiken om meer te bidden en meer in de bijbel te lezen.  Want door de woorden van God meer te lezen zullen ze meer wortel vinden in ons hart en zullen ze ons hart kneden zodat we betere mensen worden.  

29 januari 2018

Deut. 18,15-20
Mc 1, 21-29


Als Jezus de woestijn van Juda verlaat, kiest hij Kafarnaum als zijn verblijfplaats.  Hij gaat niet terug naar Nazareth, waar hij dertig jaar geleefd heeft, waar hij was opgegroeid en waar hij alles kende.
Jezus kiest ervoor om naar een stad te gaan.  De keuze voor de stad is niet toevallig.  Jezus wil het leven van de mensen delen.  En Jezus wil dit niet alleen doen.  Vorige week hebben we gehoord wie hij als eerste leerlingen geroepen heeft. 
Jezus wil de kracht van het evangelie in de grote steden brengen, in de grote wereld.  Dit is een oproep voor alle christenen, ook voor ieder van ons.  Om het evangelie daar te beleven waar wij komen, in onze scholen, in onze sportclubs, in onze familie en vriendenkring.  Overal kan je het evangelie beleven. 
Het is geen toeval dat paus Franciscus geregeld oproept om van het evangelie te getuigen in de stad.  En Jezus begint zijn eerste prediking in de synagoge van Kafarnaum.  Na ons bezoek van vorige week aan de joodse familie en hun synagoge begrijpen we beter hoe belangrijk die synagoge voor de joden wel is.  Het is het huis van God, waar ze heel veel uren doorbrengen om te bidden, om te lezen, om samen te luisteren naar de woorden van God. 
Jezus begint te spreken over de kracht van de verandering die het evangelie in de wereld kan betekenen.  Later zal hij zeggen dat het koninkrijk van God is als gist in het deeg, dat het hele deeg doet rijzen.
Zo is het ook met het evangelie: het kan de hele stad doen rijzen! 
Het evangelie van vandaag legt ons uit dat Jezus met gezag spreekt.  Degenen die in de synagoge aanwezig waren waren ‘buiten zichzelf van verbazing over zijn leer, want hij onderrichtte hen niet zoals de schriftgeleerden, maar als iemand die gezag bezit’.

Als je de woorden van Jezus hoort, kan je niet onverschillig blijven.  Je wordt voor een keuze gezet: Jezus en zijn droom volgen, of je opsluiten in je eigen kleine wereld.  De prediking van de schriftgeleerden die vol zat met regels waar je je aan moest houden, raakte niet echt het hart van de mensen.  En ook vandaag zijn er veel predikers die de mensen toespreken, via de tv, via facebook, via de sociale media.  Predikers die zeggen dat je vooral aan jezelf moet denken.  Dat je je geluk moet vinden in de ultieme sport, of het nieuwste game, of in mooie kleren of lekker eten… Zoveel manieren worden ons aangeboden om gelukkig te zijn en de ene roept al luider dan de andere.

Jezus roept niet luid, je moet moeite doen om zijn boodschap te horen.  Maar hij spreekt wel met gezag en legt ons duidelijk uit dat de enige manier om écht geluk te vinden is om God graag te zien en de anderen liever dan jezelf.  Het lijken heel eenvoudige woorden maar het is misschien wel het moeilijkste wat een mens moet doen in zijn leven, de andere liever zien dan zichzelf…
En dan komt er een man die in de macht was van een onreine geest, een man die niet zichzelf was.  En hij roept:  Jezus van Nazaret, wat hebt Gij met ons te maken?  En als we eerlijk zijn, hebben we die vraag mss ook al bij onszelf gesteld.  Wat heeft Jezus met ons leven te maken?  Kunnen wij uiteindelijk niet best voor onszelf beslissen wat goed voor ons is en wat niet?  waarom zouden wij naar hem luisteren?
Er leeft een verzet tegen de woorden van Jezus, omdat ze ons uit onze veilige comfortzone halen, omdat ze ons uit onze luiheid halen en ons wakkerschudden.  Want als je de andere liever ziet dan jezelf, dan wil je niet dat die andere ongelukkig is en dan schiet je in gang om die andere te helpen.
Jezus antwoordt duidelijk: zwijg stil en ga uit hen weg! Elke christen moet tegen die stemmen die oproepen om voor zichzelf te leven zeggen: ga weg!  Zwijg stil!

Jezus roept ons op om het evangelie écht te beleven.  Of zoals Franciscus van Assisi het zei: sine glossa, zonder commentaar, zonder toevoegingen of dingen af te zwakken.  Want als wij het evangelie écht beleven, zullen wij de wereld kunnen veranderen.